Plaats |
Beckum | |
Bouwjaar |
1888 | |
Locatie |
H. Blasius | |
NOTE: |
Onderstaande gegevens zijn afkomstig uit een studieverslag van dhr. Frans Kerkhof d.d. 20 juli 2009 en mogen met zijn toestemming gebruikt worden voor publicatie op deze website. |
Kerk
De huidige kerk van Beckum werd ingewijd in 1938. Het is een kruiskerk met neo – gotische kenmerken, gebouwd door aannemer te Dorsthorst onder architectuur van Joh. H. Sluijmer sr. De kerk heeft een robuuste toren met vierkante spits. Opvallend zijn de massale muren van handgevormde Osse-baksteen. Het interieur heeft een gemetseld gewelf. Boven het priesterkoor bevinden zich ronde ramen en achter het priesterkoor is een rondgang met 9 bogen. Op het priesterkoor staan sinds 1975 6 gipsen beelden uit de oude kerk. De gebrandschilderde ramen zijn van mevr. Stokhof – de Jong. Eveneens afkomstig uit de oude kerk zijn 48 banken van Morssinkhof uit 1893, het Blasiusbeeld (± 1870), het Mariabeeld, het kruisbeeld van de H. Missie uit 1892, de 14 met olieverf op doek geschilderde kruiswegstaties uit 1864 en enkele heiligenbeelden. In 1954 werden twee nieuwe klokken in gebruik genomen.
Historische gegevens
De marke Beckum, reeds vermeld in 1268 als “Bechem”, behoorde in de Middeleeuwen tot het kerspel en richterambt van Delden. Het gebied dat aanvankelijk tot het kerspel Delden behoorde was zeer uitgestrekt en omvatte de volgende boerschappen en marken: Hengelo, Woolde, Deldener Es en Deldenerbroek, Azelo, Zeldam, Wiene, Bentelo, Oele, Beckum en Borne. In Beckum bleef de afhankelijkheid van de kerk te Delden voortbestaan tot in de 19e eeuw.
Rond 1820 kreeg Beckum zijn eerste echte kerk, welke gebouwd werd op de plek, waar in de schuilkerkentijd reeds een bedehuis stond, een eindje achter het huidige kerkgebouw. De eerste pastoor was Johannes Vinke, die vanuit Delden de kerk van Beckum bediende. In maart 1854, kort nadat de Bisschoppelijke Hiërarchie hersteld was (1853), werd de zelfstandige parochie Beckum opgericht. Daarbij werden Stepelo en Boekelo kerkelijk bij Beckum ingedeeld. In 1856 werd de Waterstaatskerk uitgebreid, er werd een nieuwe pastorie gebouwd en er kwam een klok in de toren. De geschiedenis vermeldt verder nog dat er in 1894 een catechismusgebouw en woonhuis bijgebouwd werden. Vanaf 1919 ontstonden er onder leiding van de legendarische pastoor Osse plannen voor het bouwen van een nieuwe kerk, aangezien de Waterstaatskerk te klein was geworden. In 1938 kwam de nieuwe, huidige kerk gereed.
Orgel
|
Algemene gegevens |
|
|
Orgelbouwer |
Volgens het naambordje is Maarschalkerweerd de bouwer, doch Gebr. Gradussen lijkt meer waarschijnlijk |
|
Jaar van oplevering |
1888 |
|
Dispositie |
I/a/7 |
|
Tractuur / systeem |
Mechanische sleeplade met wellenraam. |
|
Aantal pijpen |
402 pijpen |
|
Manuaalomvang |
C-f3 (54 toetsen) |
|
Pedaalomvang |
C-f (18 toetsen |
|
Toonhoogte |
444 Hz (bij 18°) |
|
Temperatuur |
Gelijkzwevend |
|
Winddruk |
83 mm |
|
Beschr.nr. P.Bron |
1006579 |
|
Broekhuyzen |
n.v.t. |
|
Archiefonderzoek |
(1887/88 - 1936/38 – 1980/81) |
Historische gegevens
In de oude Waterstaatskerk van 1820 heeft tot 1888 geen kerkorgel gestaan, want volgens een bericht in de Twentsche Courant van 6 januari 1988 (dat steunt op onderzoek van Rinus Scholten) maakt het parochiejournaal van 1887 er melding van, dat gebruik werd gemaakt van een klein harmonium, waarvan het bescheiden geluid niet was te horen, zodra de parochianen hun stemmen verhieven. In die tijd besloot pastoor J.J. Keuken, dat het aanwezige harmonium vervangen moest worden door een “volwassen orgel”. Het kerkbestuur en het bisdom hadden geen bezwaar blijkens hetzelfde parochiejournaal, waar staat, dat “Z.D.H. de Aartsbisschop” de kerk machtigde tot de aankoop van een orgel. Hetzelfde krantenbericht meldt vervolgens: “Pastoor Keuken wendde zich tot de Gebroeders Gradussen in Huissen bij Arnhem. Als geboren Arnhemmer kende hij deze orgel - installateurs. En als muziekkenner en liefhebber had hij er evenmin twijfel over, dat Beckum een zogenaamd Maarschalkerweerdorgel zou krijgen. Gradussen bood zo’n instrument aan voor 1300 gulden. Het kerkbestuur vond het allemaal prima: als het maar een mooi instrument zou worden.” Verderop vermeldt hetzelfde artikel ook nog het volgende: “De Huissense broers plaatsten het instrument, maar men moest daarvoor wel eerst de koorzolder uitbreiden. Die was te klein voor orgel en koor. In 1888 was alles klaar.”
In 1938 werd het orgel overgeplaatst naar de nieuwe kerk. Blijkens de annalen deden de parochianen dit zelf, waarbij het instrument flinke schade moet hebben opgelopen, want in hetzelfde krantenbericht staat: “Onverwijld gingen de parochianen met hamer en zaag de orgelkast te lijf. Ze werd eenvoudigweg doormidden gezaagd. Zo kon ze tenminste worden vervoerd naar de nieuwe kerk.” Wat we ons hierbij ook moeten voorstellen, kas doormidden, windlade doormidden, er zouden in ieder geval sporen van terug te vinden moeten zijn. Dhr. Menno Kaat van Orgelbouw Kaat & Tijhuis te Kampen, die in 1981 de restauratie uitvoerde, meldde mij dat hij hiervan geen weet had.
In 1981 werd het orgel grondig gerestaureerd en verplaatst naar het priesterkoor door Kaat en Tijhuis. Adviseur daarbij was Hans van der Harst. Bij die gelegenheid werd ook een naambordje aangebracht met het opschrift: “Maarschalkerweerd Utrecht, Restauratie Kaat en Tijhuis Kampen 1981”.
Beschrijving van het orgel
Volgens het naambordje, dat door Kaat & Tijhuis werd aangebracht bij de restauratie in 1981 is het orgel gemaakt door de firma Maarschalkerweerd te Utrecht. Het volledige opschrift van dit bordje luidt: “Maarschalkerweerd Utrecht, Restauratie Kaat en Tijhuis Kampen 1981”. Het orgel werd gemaakt voor de oude Waterstaatskerk. In 1938 werd het overgebracht naar de koorzolder van de huidige kerk. Bij de restauratie van 1981 werd het op het priesterkoor geplaatst. Het is een instrument met één manuaal, zeven stemmen en aangehangen pedaal. De klaviatuur bevindt zich – vanuit de kerk gezien - aan de linkerkant en is nog in originele staat. Het klavierbeleg is met nagels vastgezet. De registerknoppen met naamplaatjes en ronde registerstangen zitten onder de lessenaar. Aan weerszijden van de klaviatuur bevindt zich een kandelaar.
De orgelkas is van eiken en heeft een neo – gotisch front. Het dak en de overige wanden zijn van naaldhout.
Het front is opgedeeld in 5 velden. De twee buitenste velden, met ieder 5 pijpen zijn blind (x). In de binnenste drie velden staan 17 pijpen van de prestant 8’ (vanaf F groot t/m a klein) in diatonische opstelling in deze volgorde:
|x x x x x| a g f es cis | B A G F Fis Gis Bes | c d e fis gis |x x x x x|
De frontpijpen hebben vergulde opgeworpen labia, het bovenlabium spits, het onderlabium rond van vorm.
De achtkantige houten wellen van de mechanische tractuur hebben ieder een houten arm aan de onderkant, waaraan de abstracten bevestigd zijn en een messing arm aan de bovenkant, waaraan de trekdraden van de ventielen zitten.
Het instrument heeft een ongedeelde sleeplade, waarop het pijpwerk diatonisch is opgesteld, vanaf de zijwanden oplopend naar het midden. De windlade is in 1981 door Kaat & Tijhuis geheel uit elkaar genomen, waarbij volgens een bericht van Kaat & Tijhuis “krimpscheuren werden dichtgelijmd, de lade zuiver gevlakt werd en nieuwe eikenhouten slepen volgens de oude factuur werden bijgemaakt. Aan de onderzijde van de lade werd een plaat gelijmd, waar de ventielsleuven werden uitgefreesd. Door deze plaatbelijming is de lade nu beter bestand tegen moderne verwarmingssystemen. Ook werden weer originele leren pulpeten ingebracht, die dienen voor een winddichte doorvoer van de trekdraden tussen toets en ventiel. Kennelijk gebeurde dit voordien met behulp van een koperen strip, zoals in het orgel van Gradussen in Frederiksoord”.
Dispositie |
|||
|
Maarschalkerweerd of Gebr. Gradussen - I/a7 - mechanische sleeplade - 402 pijpen |
|||
|
Manuaal 1 |
Pedaal |
|
|
|
C-f3 |
C-f |
|
|
|
Prestant 8 vt. (af F) Viola di Gamba 8 vt. Bourdon 8 vt. Prestant 4’vt. Fluit 4’vt. Octaaf 2 vt. Cornet III st. (D) |
aangehangen |
Pijpwerk |
Trede voor Prestant 8’ en Prestant 4’ |
|
Speelhulpen: |
Ventil – Trede voor Prestant8 vt. en Octaaf 4 vt. |
||
|
Toelichting: |
|
|
Pijpwerk Prestant 8’ Viola di Gamba 8’ Bourdon 8’ Fluit 4’ Cornet (D) III st. Ventil Trede (Zie foto) |
Veel expressions, zelfs in de Cornet ; geen “spotted metal” ; geen slagletters C t/m E (5 pijpen) gedekt met snijbaarden ; F t/m a (17 pijpen) in het front ; bes t/m f3 (32 pijpen) op de lade C t/m B afgeleid van de bourdon, geen freinsbaarden Grotere pijpen van hout ; rest orgelmetaal De 12 bovenste pijpen zijn open conisch ; rest gedekt Vanaf c1. De cornet is niet verhoogd opgesteld en heeft de volgende samenstelling: 2 2/3 – 2 – 1 3/5. Ook met expressions. In uitgetrokken stand is het ventiel voor het uitlaten van wind gesloten. Dit ventiel bevindt zich op het windkanaal tussen magazijnbalg en windlade en is nog intact. De trede dient voor het (gelijktijdig) in- of uitschakelen van Prestant 8 vt. en Prestant 4 vt. Veel Gradussen - orgels hebben een dergelijke trede voor het inschakelen van de Prestant 8’ alleen. |
Maarschalkerweerd of Gradussen? Er zijn nogal wat historische onduidelijkheden met betrekking tot dit orgel. Indien we uitgaan van plaatsing van een Maarschalkerweerdorgel in 1988 door Gradussen (zie historische gegevens hierboven), dan moet het gaan om een ouder instrument van Maarschalkerweerd, een instrument dat in een andere kerk heeft gestaan of dat in depot was bij Gradussen. Dit zou kunnen, maar hiervan is niets bekend, ook niet bij orgeladviseur Jos Laus, die specialist is op het gebied van Maarschalkerweerdorgels. Plaatsing van een nieuw Maarschalkerweerdorgel door Gradussen, zoals het parochiejournaal min of meer veronderstelt, is zeer onwaarschijnlijk. Volgens ons zijn er een aantal andere mogelijkheden: a. Gradussen heeft zelf het orgel ontworpen en gebouwd, met gebruikmaking van Maarschalkerweerd – materiaal (bv. het pijpwerk) b. Gradussen heeft het orgel geheel zelf ontworpen en gebouwd. Na enkele bezoeken aan het orgel kwam deze laatste mogelijkheid steeds meer in beeld. Vanaf het eerste bezoek hadden we enige twijfel over de naam “Maarschalkerweerd” op dit instrument. Direct in het oog springend is de aanwezigheid van een Cornet op dit kleine éénklaviers orgel. Op geen enkel éénklaviers orgel van de hand van Michael Maarschalkerweerd, gemaakt na 1882, het jaar waarin zijn vader Pieter Maarschalkerweerd stierf, komen we dit register tegen. In de tijd dat Michael bij zijn vader in de zaak werkte (1865 – 1882) werden slechts 3 éénklaviers instrumenten voorzien van een Cornet, waarvan 2 in een Nederlands Hervormde kerk. Het bedrijf maakte een ontwikkeling door waarbij de hoger gelegen registers (enkelvoudige en samengestelde vulstemmen zoals Quint, Sesquialter, cornet en mixtuur) geleidelijkaan minder belangrijk werden en op kleinere orgels langzaamaan verdwenen. Theoretisch zou het nog kunnen zijn, dat de cornet later bij een restauratie is geplaatst. Dit is echter niet in 1981 gebeurd en andere restauraties zijn niet bekend. Bovendien lijkt het mij erg onwaarschijnlijk. Ook de octaaf 2’ komt na 1882 nog maar zeer weinig voor op de kleine orgels van Maarschalkerweerd. Verder is opvallend dat er een Bourdon 8’ en een Prestant 4’ gedisponeerd zijn, waar Maarschalkerweerd praktisch altijd spreekt van resp. Holpijp 8’ en Octaaf 4’. Bestudering van disposities van Gradussenorgels leert ons, dat de dispositie in Beckum hierbij zeer goed aansluit. Sterker nog: Het in 1885 gebouwde Gradussenorgel in de R.K. Kerk van Frederiksoord / Wilhelminaoord heeft exact dezelfde dispositie 8). N.B. Blijkens een rapportage van Victor Timmer en Hubert Schreurs 8) is er met de naamgeving van dit laatstgenoemde orgel ook iets vreemds aan de hand. Het plaatje bij het klavier vermeldt: “Gebouwd door A.J. Graindorge à Liège 1846”. Timmer en Schreurs tonen echter aan dat het een instrument betreft met alle kenmerken van Gradussen, waarbij wordt vermoed, dat Gradussen pijpwerk heeft gebruikt van een ouder orgel van Graindorge. Maar dit terzijde. Het orgel heeft verder nog een aantal opvallende stijlkenmerken van Gradussen: 1. De trede voor het in- en uitschakelen van Prestant 8 vt. en Prestant 4 vt. Een dergelijke trede komt bij meerdere Gradussen-orgels voor: Loenen (1880), Baak St. Martinus (1892), Beesd R.K. Kerk (1892), Appeltern St. Servatius (1894). In al deze gevallen is er sprake van een trede voor het in- en uitschakelen van alleen Prestant 8vt. Een dergelijke trede komt volgens ons niet voor in het oeuvre van Maarschalkerweerd. Trede voor het inschakelen van Prestant 8’ en Prestant 4’. 2. De uiteinden van de boventoetsen van het pedaal hebben een golvende vorm, die we tegenkomen in het merendeel van de Gradussen-orgels. Golvende vorm in de boventoetsen van het pedaal 3. Aan de achterkant van de orgelbank zit een dwarsverbinding met rond gezaagde welvingen. Deze welvingen zijn typisch Gradussen. We zien ze ook op de orgelbanken van o.a. Haarsteeg St. Lambertus (1880), Loenen (1880), Beesd R.K. Kerk (1892), Appeltern St. Servatius (1894). Rond gezaagde welvingen in de orgelbank 4. Het beleg van de ondertoetsen is vastgeklonken met nageltjes, hetgeen we vaker zien bij Gradussen. (Frederiksoord R.K. Kerk 1885 8) ) 5. Ook in de frontopbouw zien we kenmerken, die enerzijds niet bij instrumenten van Maarschalkerweerd uit die tijd passen, anderzijds wel bij die van Gradussen. Het front is vijfdelig. Maarschalkerweerd bouwde in die tijd vergelijkbare vijfdelige fronten. Jos Laus rekent deze fronten tot het type “Wegdam” 7). Als voorbeeld van dit type noemen we het hoofdorgel van de Pancratiusbasiliek te Tubbergen (1881). De orgels van dit type hebben altijd een schuin opgaande lijn onderaan de velden, gelegen tussen de middentoren en de hoektorens. Dezelfde velden zijn bovenaan horizontaal afgewerkt. In het orgel van Beckum zijn deze lijnen juist tegengesteld, zoals bij de Gradussen-orgels van Haren (1875), Alem (1880), Loenen (1880) en Megen (1890). Het aantal pijpen in de tussenvelden van het type Wegdam van Maarschalkerweerd bestaat altijd uit een even aantal (6, 8 of 10). Beckum heeft echter een oneven aantal nl. 5 pijpen. Boven de pijpen van de zijtorens zien we in Beckum een bekroning met langwerpige, rechthoekige openingen. Dit zien we ook in de Gradussen-orgels van Alem (1880), Baak (1892) en Beesd (1894). Het bovenstaande geeft reeds genoeg aanwijzingen om te veronderstellen dat het niet om een Maarschalkerweerdorgel gaat, doch om een orgel van Gradussen uit Winssen. Daarom hebben we hierover contact gehad met de Hr. Jos Laus, deskundige op het gebied van Maarschalkerweerdorgels, adviseur bij orgelrestauraties en auteur van het onlangs verschenen boek over Maarschalkerweerd. Van Maarschalkerweerd heeft hij alle werklijsten, dispositieboeken, mensurenboeken en bestekboeken bestudeerd. In zijn boek komt de naam Beckum echter niet voor. De Hr. Laus heeft ook geadviseerd bij restauraties van Gradussen-orgels en is dus op dat gebied ook deskundig. Nadat ik hem mijn bevindingen gestuurd had, stuurde hij 6 december 2008 het volgende bericht terug: - “Het orgel is inderdaad een tijdlang toegeschreven aan Maarschalkerweerd, maar dat klopt niet! Zelfs in de beginperiode van het onderzoek stond het orgel nog als zodanig vermeld. Terecht zoals u opmerkt vertoont het instrument allemaal kenmerken van Gradussen uit Winssen (heeft de orgelbank - mits nog origineel- toevallig een dwarsverbinding met rond gezaagde welvingen?). Ook de trede om de achtvoet te bedienen is kenmerkend (ook te Baak aanwezig). De reden dat het instrument aan Maarschalkerweerd werd toegeschreven heb ik ook uitgezocht. Midden jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen de instrumenten van de tweede helft van de 19e eeuw pas weer een beetje in beeld; van Maarschalkerweerd waren er veel meer instrumenten dan van Gradussen; die naam was min of meer minder bekend in de orgelwereld. De toenmalige adviseur van de KKOR Dr. P.J. de Bruijn benoemde alles wat maar laat 19e eeuws was als een Maarschalk, zonder zich verder te vergewissen van de zeer verschillende bouwstijlen. Hans van der Harst herkende dit verhaal en noemde nog een drietal andere orgels waarvan de Bruijn altijd beweerde dat het MSW-orgels waren! Dit is dus de reden dat hij - betrokken bij de herstelwerkzaamheden van het orgel in Beckum - andermaal Maarschalk van stal haalde. Ook van der Harst dacht dat Beckum een orgel van Gradussen heeft. Als u binnenkort foto's gaat maken stuurt u mij dan een paar detailfoto's van verschillende onderdelen, als adviseur van de KKOR heb ik verschillende restauraties van Gradussenorgels begeleid (Haarsteeg, Drempt en Baak, deze laatste is nooit gerestaureerd, omdat de kerk gedeeltelijk een andere bestemming zou krijgen) en kan aan de hand van de foto's wel een indicatie/bevestiging geven.”- Nadat we de Hr. Laus enkele foto’s hadden gestuurd, kregen we op 10 december 2008 het volgende bericht van hem: -Geen twijfel mogelijk; het is echt Gradussen.- Ook orgelbouwer Kaat & Tijhuis te Kampen, die de restauratie in 1981 uitvoerde, hebben we benaderd en ingelicht. Dhr. Menno Kaat vertelde, dat er voor de restauratie geen naambordje aanwezig was. Tijdens de restauratie is het huidige naambordje boven de lessenaar aangebracht, met daarop de naam “Maarschalkerweerd”. Volgens Jos Laus is dat dus waarschijnlijk gebeurd op aanwijzing van Dr. P.J. de Bruyn, adviseur van de KKOR. Verder hebben we contact gezocht met de erven Gradussen met het verzoek om na te kijken of er nog historische gegevens aanwezig zijn. Deze waren erg geïnteresseerd en blij verrast. Ze hebben me doorverwezen naar dhr. Piet van de Geer uit Winssen van de historische vereniging Tweestromenland. Hij en anderen van die vereniging zijn in het verleden druk geweest met het samenstellen van een expositie over Gradussenorgels. Gebleken is dat van bestekken, offertes en werklijsten van de firma Gradussen een boel verloren is gegaan. Er is weinig meer bewaard gebleven dan een werkboekje uit de tijd van 1895 tot 1907. Misschien komt er te zijner tijd nog wat boven water, zodat ons vermoeden bevestigd kan worden. |
|
Bronvermelding en literatuur |
||
|
1) |
Twentsche Courant |
Artikel in de krant van woensdag 6 januari 1988. |
|
2) |
Twentsche Courant |
Artikel in de krant van oktober 2004. |
|
3) |
Hengelo ‘s Dagblad |
Artikel in de krant van 3 oktober 1981 |
|
4) |
Rinus Scholten |
Heeroom Osse van Beckum. Hengelo 1987. |
|
5) |
G.J.I. Kokhuis |
Twente in de Middeleeuwen. Enschede 2005. |
|
6) |
Parochie Beckum |
Boekje van de parochie t.g.v. de ingebruikname van het orgel na de restauratie in 1981. |
7) |
Jos Laus |
Maarschalkerweerd & Zoon, Orgelmakers te Utrecht. 2008) |
|
|
Victor Timmer en Hubert Schreurs |
Rapportage van 21-02-1987 betreffende het orgel in de R.K. Kerk van Frederiksoord / Wilhelminaoord. Vermeld op de website www.orgelsindrenthe.nl. |
| Datum verslag | 20 juli 2009
|
| Frans Kerkhof |
