Gezamenlijk ontwerpen en maken zij alle soorten kerkmeubilair en hebben vaak de leiding bij de bouw van een kerk. Na de nodige ervaring te hebben opgebouwd ontpopt de firma zich als architect en aannemer voor kerkenbouw.

Een voorbeeld hiervan is de bouw van de St. Antonius abtkerk in Wijchen (1854), waarin in 1889 door Gradussen een orgel wordt geplaatst.

Willem legde zich in die tijd binnen het bedrijf toe op het onderhoud en bouwen van orgels, dit werd al vrij snel de belangrijkste activiteit. Bij de Ewijkse burgerlijke stand is vader Gradus in 1863 nog bouwmeester, maar in 1874 is hij ook daar orgelmaker.

Willem legt zich toe op
onderhoud en bouw van orgels

Uit rekeningen blijkt dat vanaf 1858 in Weurt het onderhoud van het Heynemanorgel uit 1777 in handen was van Gradussen. Een kwitantie uit 1859 vermeldt:

“Het Kerkbestuur der R.C. Gemeente te Weurt debet aan G. Gradussen orgelmaker te Winssen wegens het maken en plaatsen van twee nieuwe blaasbalgen bij het orgel aldaar, tezamen fl. 136,=. Voldaan G. Gradussen”.

Werd tot dan toe bij de plaatsing van een orgel of reparatie vooral gewerkt met gebruikmaking van onderdelen van derden, schakelde het bedrijf in die tijd om naar een orgelmakerij met een eigen product. Een orgelkast maken kon dus vrijwel iedere goede timmerman, maar een orgel bouwen was ander werk. Ook Gradussen-orgels hebben soms een kast van een andere bouwer maar het gaat in feite steeds om het instrument.

Willem was jarenlang in de leer geweest bij de bekende Belgische orgelfabrikant Hypolyte Loret te Brussel en had hierdoor de benodigde kennis opgedaan. Het kerkbestuur uit Hatert roemde zelfs de “degelijke kennis van Willem wat betreft de welluidendheid“.

Soms gebruikten de gebroeders Gradussen dus oude, gesloopte onderdelen van orgels waaronder (gewijzigde) pijpen. Maar vanaf 1859 werden ook de orgelpijpen, zowel houten als metalen (o.a zink) in de eigen werkplaatsen vervaardigd. Elke pijp kreeg de klankkleur van de fabriek en dit is nog steeds als zodanig herkenbaar.

Van huis waren zij dus weliswaar timmerlieden en van hen werd aanvankelijk verondersteld dat zij niet over orgelmakerskwaliteiten beschikten. Maar het tegendeel is dus inmiddels bewezen.