Dispositie

Onder de dispositie van een orgel verstaan we de samenstelling van de registers die op een orgel beschikbaar zijn.  Elk orgel heeft zijn eigen dispositie waardoor het karakter van het orgel wordt bepaald.


Hoofdwerk

Het hoofdwerk is het meest omvangrijke en belangrijke onderdeel van een orgel. Het bestaat uit een combinatie van een aantal registers, heeft het meeste volume en vaak ook de meeste stemmen. Het hoofdwerk vormt daarmee de basis van het orgel en heeft als basisregisters de prestanten: dit is zeer vaak een 8-voetsregister maar het kan ook een 16-voets of een 4-voetsregister zijn.

Het hoofdwerk wordt bespeeld met een eigen manuaal.


Labialen-labiaalpijpen

Labialen – of labiaalpijpen – zijn genoemd naar hun labium, een latijns woord dat ‘lip’ betekent. De bouw ervan is eigenlijk verwant aan die van de blokfluit: een luchtkolom wordt in trilling gebracht door een windstroom die het labium treft. Labiaalpijpen kunnen open, gedekt of halfgedekt zijn. Open pijpen zijn aan de bovenkant niet afgesloten. Bij metalen pijpen hebben de gedekte pijpen een ‘hoed’, bij houten gedekten een ‘stop’. Halfgedekte pijpen zijn niet helemaal gesloten en hebben op hun hoed nog een opening – zoals bij het register van de roerfluit – met een klein buisje op de hoed.


Manuaal

Een ander woord voor manuaal is klavier, toetsenbord of speeltafel. Deze bestaat meestal uit 29 tot 43 toetsen waarbij het aantal van één klavier varieert per orgel. Daarnaast kan een orgel kan ook meerdere klavieren hebben. Meest voorkomend is twee of drie klavieren, maar er zijn ook orgels te vinden met zes tot zeven klavieren. Het grootste orgel ter wereld staat in Atlantic City (USA) en telt maar liefst 33.112 orgelpijpen en zeven manualen!

Bij historische orgels waren de klaviertoetsen over het algemeen gemaakt van recht halfkwartiers eikenhout.  De boventoetsen zijn gemaakt van ebbenhout of eiken.  Eik werd vooraf in een mestkuil geplaatst om het zwart te maken. De ondertoetsen waren meestal belegd met gebleekt been, later met ivoor.


Manuaalomvang (of klavieromvang)

Elk klavier is opgebouwd uit octaven, ieder octaaf bestaat uit zeven witte en vijf zwarte toetsen. De eerste klaviertoets van een octaaf is de C. De manuaalomvang geeft het bereik aan van het manuaal en kan bijvoorbeeld als volgt worden aangegeven: C – f”’ (van C naar f3). Voor dit bereik gaat het dan om 54 klaviertoetsen met een bereik van 4½ octaaf.


Pedaal

Een pedaal is het klavier voor de voeten.  Grofweg heeft een orgel een aangehangen of aangekoppeld pedaal of een vrij of zelfstandig pedaal.

  • Bezit het pedaal een eigen windlade en pijpen, dan spreekt men van een vrij pedaal of zelfstandig pedaal.  Het pedaal krijgt hiermee een eigen geluid, los van het manuaal
  • Is het pedaal enkel ‘aangekoppeld’ aan het manuaal en heeft het geen eigen registers, dan spreekt men van een aangehangen pedaal. e term ‘aangehangen’ kan vrij letterlijk worden opgevat: in de meest elementaire vorm zijn de pedaaltoetsen rechtstreeks verbonden met de corresponderende toets van het manuaal. Drukt de organist met de voet een pedaaltoets in, dan wordt de daaraan verbonden manuaaltoets naar beneden getrokken en klinkt de betreffende toon.

Pedaalomvang

Elk pedaal is opgebouwd uit octaven, ieder octaaf bestaat uit 12 pedaaltoets. De eerste pedaaltoets van een octaaf is de C. De pedaalomvang geeft het bereik aan van het gehele pedaal en wordt bijvoorbeeld als volgt aangegeven: C – c’ (van C naar c1). Voor dit bereik gaat het dan om 25 pedaaltoetsen met een bereik van 2 octaven en 1 toets.


Positief

Een positief is een klein pijporgel dat meestal gebruikt wordt als koororgel in een kerk. Het positief kan ook onderdeel zijn van een groter pijporgel.


Prestant

Prestant (oude benaming ook wel Praestant, soms ook Doof(f) of Doeff) is hét basisregister van een orgel. De naam komt van het Latijnse werkwoord “praestare”, wat vooraan staan betekent. Een Prestant staat vrijwel altijd (grotendeels) in het orgelfront. De prestant behoort tot de labiaalregisters.

De toon van een Prestant houdt het midden tussen hoornachtig en het geluid van een strijker, met een licht blazend karakter. Vroege orgels hebben vaak een meer hoornachtig geluid met een snelle, ietwat schelle aanspraak (15e/16e eeuw). In de 19e eeuw wordt de toon breder en donkerder.


Register

Een register is een serie, of rij, ‘sprekende’ orgelpijpen van dezelfde klank in verschillende lengten van kort tot lang, en zo van hoog tot laag in toon: hoe te korter de pijp, des te hoger de toon. Elke toets van een klavier heeft een eigen pijp in zo’n register.

Een serie pijpen wordt als groep geactiveerd en kan worden gecombineerd met andere registers om de gewenste klank te krijgen. Dit laatste wordt ‘registreren’ genoemd en hiervoor worden vaak registranten ingezet die de organist assisteren.

Door het indrukken van een toets op het klavier wordt dus via een mechanisch stelsel van stangen, draden en hefbomen (de tractuur) uiteindelijk lucht toegelaten tot de desbetreffende pijp. Het activeren van registers kan daarnaast ook op pneumatische wijze, elektrisch, elektronisch of een combinatie hiervan (zie Tractuur).


Regulateur

De lucht (wind) wordt naar de orgelpijpen gevoerd door middel van blaasbalgen of regulateur. Vroeger was iemand nodig om de blaasbalgen te bedienen en het orgel van lucht te voorzien: de balgentreder. Deze taak is sinds de komst van elektro-motoren geautomatiseerd.

De regulateur

Om schommelingen in de luchtstroom op te vangen en de winddruk constant te houden, blijft een balg wel noodzakelijk. Bij de grote stadsorgels zijn balgen vaak te vinden in een aparte balgenkamer, meestal een ruimte in de toren. Maar normaal gesproken worden de balgen ondergebracht in de orgelkast zelf.


Rugpositief

Het rugpositief of rugwerk is een deel van het orgel dat door een eigen klavier wordt bespeeld, meestal het onderste klavier. Bij bepaalde orgels bevindt zich de speeltafel tussen het rugwerk en het hoofdorgel (hoofdwerk). Het rugpositief is dan het gedeelte waar de organist met zijn rug naartoe zit, vandaar deze naam. Het rugwerk is vaak een kleinere weergave van het hoofdwerk, van voren gezien is het rugpositief ten opzichte van het hoofdwerk, iets onder en naar voren geplaatst.

Wanneer het hoofdwerk als registers bijvoorbeeld een Prestant 8′, een Octaaf 4′ en een Superoctaaf 2′ heeft, dan heeft het rugwerk meestal een Prestant 4′, een Octaaf 2′ en soms ook een Superoctaaf 1′. Veel rugwerken hebben als tongwerken vaak een Dulciaan 8′, een Kromhoorn 8′, een Vox-humana of, bij grote orgels, een Trompet. In het rugwerk zijn vooral Fluiten aanwezig. Het hoofdwerk bestaat vooral uit prestanten en het zwelwerk of bovenwerk vooral uit strijkers en fluiten.


Sleeplade

Sleeplade is een windlade waarbij de registerknoppen een sleep bewegen met gaten, hierdoor kan de wind bij de pijpen komen als het register is geopend.


Stemmingstemperatuur

Een gelijkzwevende stemming of evenredigzwevende temperatuur is, voor instrumenten met vaste stemming, en voor de in het Westen gebruikelijkste stemming in 12 tonen per octaaf, een specifieke keuze voor de afstanden tussen die tonen. Het octaaf met zijn frequentieverhouding van 2 wordt hierbij in 12 precies even grote afstanden verdeeld of anders gezegd: de verhouding van de frequenties van twee opeenvolgende halve tonen is steeds precies dezelfde. 


Lingualen – Tongwerk – Tongpijpen

Het Tongwerk bestaat uit Tongpijpen of Linguaalpijpen welke zijn voorzien zijn van een tongetje dat de luchtkolom tot trilling brengt. Een Tong(werk)pijp is verder opgebouwd uit een voet (of stevel), een kop en een beker. De ‘keel’ of ‘lepel’ bevindt zich in de voet of stevel van de pijp. De keel bestaat uit een halfrond messing, loden of houten gootje, waarvan het vrije uiteinde gesloten is.

Boven op de voet van de tongpijp staat de schalbeker die de toon versterkt. Diverse bekervormen brengen diverse klankkleuren voort. Registerbenamingen die we hier aantreffen zijn o.a. ‘Trompet’, ‘Clairon’, ‘Hobo’, ‘Kromhoorn’, etc.

De kop is een doorboorde stop, die op de stevel past (zoals bij een stopfles). In het boorgat is van onderen de keel (of lepel) met daarop de tong gestoken en van boven de beker. Naast dit boorgat is er nog een gaatje voor de stemkruk.

De tong is een dun en veerkrachtig strookje hardmessing of fosforbrons, dat de keelopening afdekt. Bovenaan is de tong vastgezet in de kop met een hardhouten wigje. De tong moet heel licht opgebogen zijn, zodat het vrije uiteinde dat van de keel nèt niet raakt.

Wanneer er nu wind door deze opening wordt geperst, gaat de tong trillen en daarmee ook de lucht in keel en stevel. Zonder beker klinkt dat geluid – in vaktermen de steveltoon – snaterend of neuzelig. Na plaatsing van de beker ontstaat de bekertoon: de gewenste, stabiele toon. De klankvorming is bij een tongwerk dus te vergelijken met het riet van een klarinet of saxofoon.

De stemkruk is een zekere lengte fosforbrons rondstaf, die – meestal naast de beker – door het gaatje in de kop is gestoken. Bovenaan wordt hij haaks omgebogen en onderaan zodanig, dat daarmee de vrije lengte van de tong kan worden bepaald. Wordt die kleiner/groter gemaakt door de stemkruk behoedzaam omlaag/omhoog te tikken, dan wordt de toon hoger/lager. Een dikkere tong geeft een lagere toon. Een hardere, stuggere tong een meer heldere toon. Van de grotere pijpen kan de beker van de kop worden gelicht, zodat keel en tong eenvoudiger zijn te bewerken.

De beker en dan met name de bekervorm is meer van invloed op de klankkleur en de geluidssterkte dan op de toonhoogte. De bekervorm maakt namelijk uit, of van de steveltoon de grondtoon of de boventonen meer worden benadrukt. De tongwerken zijn dan ook naar de vorm van de beker te onderscheiden in een aantal hoofdgroepen:

  • lang, trechtervormig (onder andere BazuinTrompet en Schalmei);
  • lang, cilindrisch (onder andere FagotDulciaan en Kromhoorn);
  • kegelvormig;
  • samengesteld;
  • kortbekerig (onder andere RegaalVox Humana en Ranket).

De beker wordt meestal van orgelmetaal gemaakt, maar bij zichtwerk komt (rood)koper ook wel voor. Dat gebeurt vooral bij een opstelling en chamade – horizontaal opgehangen – omdat een beker van orgelmetaal onherroepelijk zou doorbuigen.


Tractuur (Toets- of Register-)

Hiermee wordt het mechaniek bedoeld waarmee de beweging van klaviertoetsen wordt overgebracht naar de toonvormende elementen: de ventielen die de pijpen laten spreken. Dit kan Mechanisch, Pneumatisch, Elektrisch/Elektronisch of een combinatie zijn.

  • Mechanisch
    De oudste en tot nog toe beste verbinding: wanneer de organist een toets induwt brengt hij volgens de wetten van de mechanica (houten) stangetjes in beweging die dan de lucht in de gespeelde pijp(en) laat gaan. 
  • Pneumatisch
    Het nadeel van de vroegere mechanische tractuur was dat hoe meer reeksen pijpen aangesproken worden, hoe zwaarder het klavier bespeelbaar wordt.  Orgelbouwers zochten een oplossing voor dit nadeel en ontwikkelden een nieuw systeem van verbinding: de pneumatische of gebaseerd op luchtdruk.  Wanneer de organist een toets induwt, wordt de opening naar de pijp door luchtdruk (luchtkolom) gerealiseerd.  
    Voordeel van het systeem is dat het orgel gemakkelijk speelbaar blijft, ongeacht het aantal registers (reeksen pijpen) die ingeschakeld worden.  
    Nadelen zijn dat:
    1. de klank soms wat achterkomt ten opzichte van het induwen van de toets;
    2. de (schapenlederen) balgjes die het luchtdruksysteem lekvrij moeten maken ongeveer om de 20 jaar vervangen moeten worden.  Tegenwoordig wordt dit systeem dan ook niet meer gebruikt.
  • Elektrisch
    De ontdekking van de elektriciteit is men ook gaan toepassen op de orgelbouw.  De ventilator is één van de toepassingen. Maar ook de verbinding tussen speeltafel en pijpen werd elektrisch gemaakt.  
    Voordeel van dit systeem : de klank komt, zoals bij de mechanische verbinding, onmiddellijk en het orgel is licht bespeelbaar, zoals bij de pneumatische. Nadeel is dan weer dat de bedrading na verloop van tijd verslijt.

Tremulant

Op vrijwel alle moderne orgels vindt men een tremulant, hiermee is het mogelijk om regelmatige golven in de windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken waardoor een tremolo-klank ontstaat.


Windlade

De windlade is een belangrijk onderdeel en kan gerust beschouwd worden als het hart van het orgel. Het is een ingewikkelde, houten constructie waarin blaasbalgen (regulateurs) wind blazen. Deze wind wordt via een kanalenstelsel (windkanalen) naar de orgelpijpen gevoerd die op de windlade staan. Bij grotere orgels bestaan de windkanalen uit een hoofdkanaal met enkele vertakkingen.

Omdat de orgelpijpen op deze kast zijn geplaatst, wordt de lucht door de pijpen geblazen en spreken deze aan. De windladen waarop de meeste pijpen staan, moet de aangevoerde wind zodanig over de pijpen verdelen dat ze ieder afzonderlijk kunnen worden aangesproken (in alle combinaties).

Schematische weergave windlade

Onder elk van de pijpen zit een ventiel dat met een speeltoets van het klavier kan worden geopend om de wind te laten doorstromen. De term uit vroegere eeuwen voor ‘windlade’ was ‘secreet. Oorspronkelijk waren windladen altijd sleepladen, zoals ook bij Gradussen-orgels het geval is. Bij latere orgels komen er allerlei uitvindingen in beeld, met o.a. kegelladen, ventielladen e.a.

Omdat een windlade geheel luchtdicht moet zijn, is temperatuur en luchtvochtigheid in een kerkgebouw zijn dan ook cruciaal bij het voorkomen van lekkages.


Zwelwerk

Zwelwerk met geopende kast

Het zwelwerk of de zwelkast is een onderdeel van het orgel waarbij de pijpen in een afgesloten kast staan die met jaloezieën is afgesloten. Hiermee wordt de toe- of afname van de klanksterkte geregeld en daardoor “zwelt” het geluid aan of neemt af. Een zwelkast kan ook om enkele registers en soms zelfs één register staan opgesteld.

Dit systeem werd voor het eerst in Nederland geïntroduceerd 1821 en vanaf midden 19e eeuw wordt het steeds meer toegepast omdat hiermee een grotere dynamiek met het orgel kan worden bereikt.